Eriocrania sangii (Wood, 1891)

grijsrupspurpermot

Eriocrania sangii mine

Betula, Haren, Hortus de Wolf: mijn met volgroeide larve © Kees Boele

Eriocrania sangii larva

Betula, Soest, de loodkleurige larve © Hetty Soetekouw

mijn

Grote witte, voldiepe, primaire, blaasmijn, voorafgegaan door een zeer kort gangetje. De mijn begint vlakbij de bladrand, later wordt de mijn uitgebreid naar het centrum van het blad. Frass in opvallende, lange draden. Verpopping in de grond. Verlaten mijnen verdrogen en verbruinen; later in de zomer is er niets meer van terug te vinden.

De mijn is alleen te determineren aan de hand van de larve.

waardplanten

Betulaceae, monofaag

Betula pendula, pubescens.

fenologie

Mijnen laat in maart tot mei (Heath, 1983a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia en noordelijk Rusland tot de Pyreneeën en Alpen, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2009).

larve

literatuur

Baran (2013a), Bengtsson (2008a), Heath (1983a), Hellers (2016a), Hering (1957a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Kurz (2016a), De Prins & Steeman (2011a), De Prins, Steeman & Sierens (2016a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a).