Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Heliozela hammoniella

Heliozela hammoniella Sorhagen, 1885

berkenzilvervlekmot

Heliozela hammoniella: mine on Betula pubescens

Betula pubescens, Lauwersmeer, Ballastplaatbos; © Corrie van As: verlaten mijn met uitsnede

Heliozela hammoniella: vacated mine on Betula pubescens

Betula pubescens, België, prov. Namen, Nismes © Stéphane Claerebout: verlaten mijn

Heliozela hammoniella: vacated mine, detail

detail van de uitsnede

Heliozela hammoniella: (very atypical) mine on Betula pubescens

Betula pubescens, België, prov. Antwerpen, Mol, © Carina Van Steenwinkel: mijn met een uitzonderlijk lang gang-gedeelte

mijn

De larve begint zijn leven als een boorder in het merg van een twijg. Pas als hij bijna volgroeid is dringt hij een bladsteel, en vervolgens de hoofdnerf binnen. Hierdoor krijgt het blad te weinig voedsel, en krijgt het een bleke kleur (Hering, 1957a). Vanuit de hoofdnerf wordt een breed voldiep gangetje gemaakt in de bladschijf, meestal in het onderste deel van het blad. Meestal is dit gangetje kort, maar het kan ook langer zijn, en dan is een centrale frasslijn zichtbaar. Uiteindeljk wordt een ovaal bladstukje uitgesneden van ca 3 x 5 mm, waarmee de larve zich op de grond laat vallen.

waardplanten

Betulaceae, monophaag

Betula pubescens.

fenologie

Larven in juli-augustus (Emmet, 1983c).

BENELUX

BE waargenomen (Wullaert, 2010a).

NE waargenomen (Kuchlein ea, 1988a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia en Noord-Rusland tot de Pyreneeën, Alpen en Roemenië, en van Ierland tot Centraal Rusland (Fauna Europaea, 2009).

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Heliozela betulae (Stainton, 1890).

opmerkingen

Tot voor kort waren er geen morfologische verschilkenmerken bekend ten opzichte van Heliozela resplendella; daarom beschouwden onder meer Kuchlein & de Vos (1999a) hammoniella als een synoniem van resplendella. Mutanen ea (2007a) hebben definitief vastgesteld dat het om twee goede soorten gaat.

literatuur

Ahr (1966a), Bengtsson (2008a), Borkowski (2003a), Buhr (1935a, 1964a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Emmet (1983c), Hering (1927b, 1957a), Huisman, Koster, Muus & van Nieukerken (2013a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2004a), Kozlov, van Nieukerken, Zverev & Zvereva (2013a), Kuchlein & Donner (1993), Kuchlein, Gielis, Huisman, ao (1988a), Kuchlein & de Vos (1999a), Mutanen, Itämies & Kaila (2007a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins & Steeman (2011a 2013a), Redfern & Shirley (2011a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Skala (1949a), Sønderup (1949a), Steeman & Sierens (2020a), Wullaert (2010a), Žikić, Ritt, Colacci, ao (2019a).

Laatste bewerking 21.vii.2021