Incurvaria masculella (Denis & Schiffermüller, 1775)

gewone witvlekmot

Incurvaria masculella: excision on Vaccinium myrtillus

Vaccinium myrtillus, België, prov. Limburg, de Hoefaert-Lanaken © Carina Van Steenwinkel

Incurvaria masculella: excision on Vaccinium myrtillus

ander blad

mijn

Ovopsitie middels een legboor, daarom geen eischaalje zichtbaar. De larve maakt een klein, rondachtige blaasmijntje; vaak is er een aantal op één blad. Al na de eerste vervelling maakt de larve een uitsnede uit de mijn, vrijwel even groot als het mijntje zelf (3-4 mm in diameter). Hierin gesandwiched laten ze zich op de grond vallen, en leven daar verder van dor bladmateriaal.

waardplanten

Polyfaag op houtige gewassen.

Carpinus betulus; Castanea sativa; Corylus avellana; Crataegus; Fagus sylvatica; Quercus rubra; Rosa; Tilia cordata, platyphyllos; Vaccinium myrtillus.

In Engeland is meidoorn de belangrijkste waardplant (Heath & Pelham-Clinton, 1983a), geheel anders dan in continentaal Europa.

fenologie

Larven worden minerend gevonden in mei-juni (Heath & Pelham-Clinton, 1983a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Vrijwel heel Europa (Fauna Europaea, 2009).

larve

Incurvaria-larven liggen, als ze rusten, in hoefijzervorm gebogen in de mijn (in tegenstelling tot Antispila-larven).

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Incurvaria muscalella (Fabricius, 1787).

literatuur

Baldizzone (2004a), Bengtsson (2008a), Buhr (1935a, 1936a, 1937a), Dziurzynski (1957a, 1958a), Heath & Pelham-Clinton (1983a), Hellers (2016a), Hering (1934a, 1935a, 1957a), Huemer (1988a, 2012a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Michna (1975a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Skala (1951a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Szőcs (1977a), Tomov & Dimitrov (2007a).

31/03/2017

mod 15.ii.2018