Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Trifurcula eurema

Trifurcula eurema (Tutt, 1899)

gebandeerde rolklavermineermot

Trifurcula eurema mine

Dorycnium pentaphyllum, Griekenland, nom. Fókis; uit van Nieukerken (2007b)

Trifurcula eurema mine

mijn met cocon

mijn

Ei aan boven- of onderzijde van het blad. De mijn begint als een lange gang met een lineaire frasslijn. De gang gaat zonder overgang over in een blaas, die uiteindelijk bijna het gehele blaadje kan innemen. Het begin van de blaas is meestal bij de bladbasis, en hier is ook de later geproduceerde frass geconcentreerd. Meestal vindt de verpopping plaats in de mijn; in uitzonderingsgevallen verlaat de larve de mijn via een opening aan de bladonderzijde.

waardplanten

Fabaceae, oligofaag

Dorycnium hirsutum, pentaphyllum & subsp. germanicum, rectum; Lotus corniculatus, cytisoides, maritimus, ornithopodioides, pedunculatus.

In Zuid-Europa hoofdzakelijk op Dorycnium.

fenologie

Larven zijn gevonden van juli tot october (Emmet, 1983a).

BENELUX

BE waargenomen (Wullaert (2015a).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Griekenland, en van Ierland tot Hongarije (Fauna Europaea, 2009).

larve

De larve is bleekgeel, oogt groen in de mijn. De larve wordt beschreven door Gustafsson & van Nieukerken (1990a); thorax 1-3 dorsaal met resp. 10, 10 en 8 paren setae.

synoniemen

Nepticula, Stigmella, Levarchama eurema; Nepticula, Stigmella, Trifurcula dorycniella Suire, 1928; N. gozmanyi Szőcs, 1959.

opmerkingen

In Nederland en Denemarken een soort van kruipwilgstruwelen in natte duinvalleien (Kuchlein ea, 1988a, Johansson ea,1990a), vooral op Lotus uliginosus,

Een mogelijk additioneel onderscheid met T. cryptella zou kunnen zijn dat bij cryptella de frass zwart is, en bruin bij eurema, maar of dit onderscheid constant is moet nog worden uitgezocht (Emmet, 1983a). [Hering (1967a) beschrijft de frass van beide soorten als “zwart”.]

literatuur

Bengtsson (2008a), Emmet (1983a), Gustafsson (1985a), Gustafsson & van Nieukerken (1990a), Hering (1957a, 1960a, 1967a), Johansson ao (1990a), Kasy (1985a), Klimesch (1940a, 1950c, 1956c), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein, Gielis, Huisman, ao (1988a), Kuchlein & de Vos (1999a), Laštůvka & Laštůvka (1997a, 2009b, 2011a, 2014a, 2015a), Navickaitė, Diškus & Stonis (2014), van Nieukerken (1986a), van Nieukerken, Biesenbaum & Wittland (2010a), van Nieukerken, Gielis, Huisman ao (1993a) van Nieukerken, Laštůvka & Laštůvka (2004a, 2006a), Robbins (1991a), Skala (1939a), Szőcs (1968a, 1977a, 1981a), Wullaert (2015a).

Laatste bewerking 18.ii.2020