Trifurcula ortneri (Klimesch, 1951)

Trifurcula ortneri mine

Coronilla minima, Spanje, prov. Madrid; uit van Nieukerken (2007b)

Trifurcula ortneri mines

Coronilla valentina, Kroatië; uit van Nieukerken (2007b)

mijn

Ovipositie op een willekeurige plaats aan de bladonderzijde. Dan een lange, smalle, weinig gewonden gang die op enige afstand de bladrand volgt. Na een vervelling verbreedt de gang zich geleidelijk sterk, meestal tot een brede gang, minder vaak tot een echte blaas. Frass in de begingang in een smalle, onderbroken centrale lijn; in het brede deel in een dikke klomp met weinig, smalle, onderbrekingen. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in de bladonderzijde.

waardplanten

Fabacae, monofaag

Coronilla coronata, minima, vaginalis, valentina & subsp. glauca, viminalis; Hippocrepis emerus.

Voorkomen op H. emerus en C. minima slechts zelden (Laštůvka & Laštůvka, 1997a).

fenologie

Larven in juni, en dan weer in eind augustus – september (Klimesch, 1951a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Kroatië (Fauna Europaea, 2009).

larve

Barnsteengeel, kopkapsel en halsschild bleekbruin; ligt ruggelings in de mijn.

synoniemen

Stigmella ortneri.

literatuur

Hering (1957a, 1960a), Kasy (1987a), Klimesch (1951a), Laštůvka & Laštůvka (1997a, 2005a, 2009b, 2014a, 2015a), van Nieukerken (1986a, 2007b), van Nieukerken, Biesenbaum & Wittland (2010a), van Nieukerken, Laštůvka & Laštůvka (2004a, 2006a), Steuer (1988a, 1995a), Szőcs (1977a, 1981a).

mod 9.i.2019