Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Zimmermannia atrifrontella

Zimmermannia atrifrontella (Stainton, 1851)

witte bastmineermot

op Quercus

mijn

Larven maken een onopvallende kronkelende, ± verticale gangmijn in de nog gladde schors van niet te oude takken en stammen. Verpopping in een bruine cocon, buiten de mijn. Mijnen vooral op door de zon beschenen zijde van een tak. Verlaten mijnen raken geheel gevuld met wondweefsel (callus) en barsten daardoor open.

waardplanten

Fagaceae, monofaag

Quercus pubescens, robur.

fenologie

Larven leven tenminste een jaar, in het noorden mogelijk twee jaar; ze zijn volgroeid in mei-juni.

BENELUX

Microlepidoptera.nl; nog niet bekend uit België.

verspreiding binnen Europa

(PESI, 2018).

larve

Larven zeer slank, geel, kop bruin; geen ventrale platen (Johansson ea, Gustafsson & van Nieukerken).

synoniemen

Trifurcula, Ectoedemia, atrifrontella.

literatuur

Bengtsson (2008a), Borkowski (1969a), Diškus & Stonis (2012a), Gustafsson (1985a), Gustafsson & van Nieukerken (1990a) Hering, (1934g), Huisman & Koster (1995a, 2000a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2001a, 2004a), Huisman, Kuchlein, van Nieukerken ao (1986a), Johansson, Nielsen, van Nieukerken & Gustafsson (1990a), Klimesch (1936a, 1942a, 1950c, 1953a), Kuchlein & Donner (1993a), Laštůvka & Laštůvka (1997a, 2005a, 2011a, 2014a), Maček (1999a), Navickaitė, Diškus & Stonis (2014), van Nieukerken (1085a, 1986a), van Nieukerken, Doorenweerd, Hoare & Davis (2016a), van Nieukerken, Laštůvka & Laštůvka (2004a, 2006a, 2010a), Pröse (1995a), Robbins (1991a), Skala (1939a), Steurer (1988a), Stonis, Navickaitė, Rocienė ao (2013a), Šulcs (1996a), Szőcs (1977a).

Laatste bewerking 5.ii.2020