Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Coptotriche heinemanni

Coptotriche heinemanni (Wocke, 1871)

zwarte bramenvlekmot

Coptotriche heinemanni: mines on Agrimonia eupatoria

Agrimonia eupatoria, Frankrijk, dépt. Ariège, l’Oustal, Alliat © Steve Wullaert &amp Zoe Vanstraelen

Coptotriche heinemanni: mines on Agrimonia eupatoria

het algemene aspect is als van Fenella nigrita, maar de mijnen zijn licht samengetrokken door spinsel, en er is geen frass zichtbaar.

Coptotriche heinemanni mine

Rubus fruticosus, Goirle

Coptotriche heinemanni mine

Rubus fruticosus, Lettele: geopende mijn

mijn

Ei goed zichtbaar, bovenzijdig (in tegenstelling tot bij Metallus pumilus). Grote, doorzichtige, bovenzijdige, geelgroene, later bruinige blaasmijn. De larve brengt spinsel in de mijn aan, maar zo weinig dat het de kleur van de mijn niet beínvloedt, en dat de mijn ook niet samentrekt, zoals bij C. marginea. De mijn bevat geen frass: dit wordt door een kleine opening aan de onderzijde van de mijn naar buiten gewerkt. De verpopping vindt plaats in de mijn, na de overwintering; de pop ligt vrij in de mijn.

waardplanten

Rosaceae, oligofaag

Agrimonia eupatoria, procera; Rubus caesius, fruticosus, idaeus, laciniatus.

Een vermelding van Rosa als waardplant door Maček (1999a) dient nader te worden bevestigd.

fenologie

Larven van september tot october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (van Nieukerken, 2006a).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot de Pyreneeën, Italië en Roemenië, en van Engeland tot de Ukraine (Fauna Europaea, 2009).

larve

pop

synoniemen

Emmetia, Tischeria heinemanni.

Coptotriche heinemanni: mine on Rubus fruticosus

Rubus fruticosus, Korenburgerveen

opmerkingen

John Langmaid (UK) kweekte een aantal mijnen die als heinemanni gedetermineerd waren uit, en verkreeg alleen C. marginea-imagines. Omgekeerd bracht DNA-onderzoek door Camiel Doorenweerd aan het licht de de larve in deze “onmiskenbare” marginea-mijn in werkelijkheid tot heinemanni behoorde. Het determineren van deze soort op basis van de mijnen is blijkbaar een hachelijke zaak.

literatuur

Ahr (1966a), Baldizzone (2004a), Baldizzone & Triberi (1982a), Beiger (1960a, 1979a), Bengtsson (2008a), Buhr (1936a, 1941, 1964a), Csóka (2003a), Drăghia (1970a, 1972a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), Grandi (1931a, 1933a), Hering (1957a), Huber (1969a), Huemer & Erlebach (2003a), Huisman & Koster (1994a, 2000a), Huisman, Koster, Muus & van Nieukerken (2013a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2004a), Ivinskis, Rimšaitė & Pūtys (2020a), Klimesch (1950c, 1957c), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Langohr & Schreurs (1987a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Michna (1975a), van Nieukeren (2006a), Nowakowski (1954a), Patočka & Turčáni (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Stammer (2016a), Steeman & Sierens (2020a), Stolnicu (2007a), Surányi (1942a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Szőcs, Melika, Thuróczy & Csóka (2014a), Todorov, Toshova & Tóth (2014a), Toll (1959b), Ureche (2010a), Zoerner (1969a, 1970a).

Laatste bewerking 15.viii.2022