Golovinomyces neosalviae Scholler, Braun & Schmidt, 2016

op Salvia

gal

mycelium op stengels en bladeren, opvallend, beiderzijdig maar vooral bovenzijdig, bedekt uiteindelijke het hele blad; aangetaste bladeren vallen in juli of augustus af. Appressoria schaars, tepelvormig, soms iets gelobd. Conidia in korte ketens, zonder fibrosine-lichaampjes. Basale cel van de conidiofoor 105-3205 µm lang, zwak gebogen, vaak voorafgegaan door een veel kortere cel. Cleistothecia met 5-10 asci, met 2 sporen. Aanhangsels talrijk, mycelioid, gesepteerd, min of meer bruin, ongeveer even lang als de diameter, aangehecht aan de onderste helft van het cleistothecium.
Götz ea vonden op Salvia officinalis afwijkend materiaal, met tot 800 µm lange, soms vertakte conidioforen die hier en daar “schouder-achtige” verdikkingen vertoonde.

waardplanten

Lamiaceae, Nepetoideae, nauw monofaag:

Salvia fruticosa, officinalis & subsp. lavandulifolia.

literatuur

Braun & Havrylenko (2018a), Götz, Idczak, Richert-Pöggeler & Braun (2018a), Scholler, Schmidt, Siahaan ao (2016a).

mod 8.xii.2018