Epichloe typhina (Persoon) Tulasne, 1865

halmverstikker

op grassen

Epichloe typhina infestation

Dactylis glomerata, Denekamp, lg Singraven

gal

Een of meer internodia rondom, en meestal over de hele lengte, omhuld met een witte, later gelige, schimmelmassa (stroma). Het internodium is niet of nauwelijks opgezwollen. In het stroma slanke asci. De sporen, nog in de asci, zijn 150-200 µm lang en hebben dan tot 9 septen.

waardplanten

Poaceae, oligofaag

Anthoxanthum odoratum; Brachypodium ? phoenicoides, ? pinnatum; Dactylis glomerata; Helictochloa adsurgens, pratensis; Lolium perenne; Phleum pratense; Piptatherum virescens; Poa nemoralis, pratensis, stiriaca, trivialis.

Een vermelding van Ammocalamagrostis baltica door Scholler, Reinhard & Schubert (1996a) moet nader worden onderzocht.

predatoren

De larven van Botanophila phrenione en enkele verwante soorten leven van het stroma. Anderzijds heeft de sexuele voortplanting van de schimmel gewoonlijk het bezoek nodig van een Botanophila die de rol speelt van een pollinator door spermatia van het tegenovergestelde parings-type over te brengen (Leuchtmann, Leuchtmann & Michelsen).

opmerkingen

Pas betrekkelijk kortgeleden is gebleken dat de klassieke “Epichloe typhina” in feite uit een groep van, meestal steng monofage, soorten bestond. De in de literatuur vermelde waardplanten hebben dus vaak betrekking op andere soorten; tot welke waardplanten “E.typhina sensu stricto” beperkt is, is niet helemaal duidelijk.

literatuur

Buhr (1964b), Chlebicki & Lembicz (2001a), Dietrich (2013a), Jage, Scholler & Klenke (2010a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Kruse (2014a, 2019a), Leuchtmann (2007a), Leuchtmann & Michelsen (2015a), Losa España (1942a), Moon (1999a), Negrean (1996a,b), Negrean & Denchev (2000a), Redfern & Shirley (2011a), Scheuer & Bechter (2012a), Schmid-Heckel (1985a), Schardl (2010a), Scholler, Reinhard & Schubert (1996a), Rommelaars & Helleman (2010a), Tóth (1994a), Zabalgogeazcoa, García Ciudad, Leuchtmann ao (2008a).

mod 18.viii.2019