Pucciniales

Roesten

Roesten zijn een grote groep van schimmels die obligaat parasitair zijn op planten. Ze hebben een gecompliceerde levens-cyclus, waarin, in een vaste volgorde, vijf typen sporen worden gevormd. In veel gevallen treedt daarenboven wisseling op van de waardplant. Veel roesten hebben een incomplete levens-cyclus, waar een of meer stappen worden overgeslagen.

Een complete cyclus verloopt als volgt.

0. Een haploïde spore infecteert een plant en vormt daar een sorus (vruchtlichaam) dat bij deze groep van schimmel benoemd wordt als een spermogonium. In de roesten-literatuur worden de stadia vaak aangeduid met een 0, en vervolgens Romeinse cijfers. Spermogonia doen zich vaak voor aan de bovenzijde van het blad in de vorm van een groep oranje stipjes van ca. 0.1 mm. In de spermogonia worden speciale sporen gevormd, spermatia die met spermatia uit andere spermogonia één op één versmelten en daarna een mycelium vormen dat per cel twee, nog steeds haploïde, kernen heeft.

I. Dit mycelium breidt zich uit en vormt, vaak aan de onderzijde van hetzelfde blad een min of meer bekervormig sorus, dat aecium wordt genoemd. Hier worden langs ongeslachtelijke weg ketens van aeciosporen gevormd, die andere planten kunnen infecteren. Aeciosporen zijn vaak geel, en de wand van het “bekertje”, het zogenaamde peridium, is vaak wit en vormt dan een rand van witte wimpers.

II. Aeciosporen die op een geschikte plant zijn terechtgekomen kiemen daar, bouwen een mycelium op dat eigen sori vormt, die meestal min of meer schotelvormig zijn: uredinia. Bij roest-soorten die generatie-wisseling vertonen is de geschikte plantensoorten een andere dan waarop de spermogonia en aecia zich hebben ontwikkeld. Nog steeds langs ongeslachtelijke weg worden in de uredinia op steeltjes eencellige urediniosporen gevormd. Meestal zijn die lichtbruin van kleur. Urediniosporen kunnen een andere, maar ook de “eigen” plant (her-)infecteren.

III. Urediniosporen kiemen (op dezelfde waardplant als waarop ze zijn ontstaan), vormen een mycelium waarop het laatste type vruchtlichaam wordt gevormd: het eveneens min of meer kussenvormige telium. Ook hier worden ongeslachtelijk, vaak op steeltjes, één- of meercellige sporen gevormd, de teliosporen. Teliosporen worden meestal tegen het eind van het groeiseizoen gevormd; ze kunnen overwinteren, en zijn in verband daarmee dikwandig. Hun kleur is meestal donkerbruin tot zwart.

IV. Teliosporen kiemen doordat ze een basidium vormen, waarop langs sexuele weg vier sporen worden gevormd, waarmee stap 0 begint.

In de meeste gevallen is een infectie locaal, bijvoorbeeld beperkt tot een enkel blad of zelfs deel daarvan. Maar ook kan een het mycelium het gehele planten-lichaam doorwoekeren; dit wordt een systemische infectie genoemd. Wanneer de waardplant overblijvend is, kan een systemische schimmel overwinteren in ondergrondse delen van de plant.

Roesten worden op hun beurt geparasiteerd, met name door de schimmel Eudarluca caricis en and Tuberculina soorten, zoals T. sbrozzii (Lutz, ea). De sporen vormen de voedselbron voor een aantal soorten van het galmuggen-geslacht Mycodiplosis.

literatuur

Alexopoulos, Mims & Blackwell (1996a), Gäumann (1959a, 1964a), Hiratsuka & Sato (1982a), Klenke & Scholler (2015a), Lutz, Bauer, Begerow & Oberwinkler (2004a,b), Lutz, Bauer, Begerow ao (2004a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Webster (1980a).

03/03/2017

mod 14.iii.2018