Coleosporium inulae Rabenhorst, 1851

op Pinus

gal

zie Coleosporium tussilaginis sensu lato.

spermogonia, aecia

Pinaceae, monofaag

Pinus halepensis, sylvestris.


op Dittrichia, Inula

gal

de teliosporen zijn als basalt-zuiltjes gerangschikt, aan de bovenzijde bedekt door een was-achtige laag. Aanvankelijk zijn ze eencellig, maar uiteindelijk treedt een reductiedeling op en vormen ze een keten van vier cellen. Elk kiemt onder vorming van een steeltje aan de top waarvan een spore wordt gevormd (Mims & Richardson).

De uredinia en telia van Coleosporium-soorten zijn morfologisch niet val elkaar te onderscheiden. Voor foto’s zie onder meer C. melampyri en >C. tussilaginis.

uredinia, telia

Asteraceae, Inuleae, oligofaag

Dittrichia graveolens, viscosa; Inula aschersoniana, aspera, britannica, candida, conyzae, ensifolia, germanica, helenioides, helenium, helvetica, heterolepis, hirta, methanaea, orientalis, oxylepis, parnassica, salicina, spiraeifolia, verbascifolia.

synoniemen

Coleosporium tussilaginis f. sp. inulae Helfer, 2013.

literatuur

Bahcecioglu & Kabaktepe (2012a), Brandenburger (1985a: 24), Doppelbaur & Doppelbaur (1973a), Gäumann (1959a), Helfer (2013), Henderson (2004a), Klenke & Scholler (2015a), Kruse (2014), Llorens i Villagrasa (1984a), Losa España (1942a), Mayor (1973a), Mims & Richardson (2005a), Negrean (1996a), Poelt & Zwetko (1997a), Savchenko, Heluta, Wasser & Nevo (2014c), Scheuer & Bechter (2012a), Schmid-Heckel (1985a), Termorshuizen & Swertz (2011a).

28/05/2017

mod 16.vii.2017