Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Cronartium flaccidum

Cronartium flaccidum (Albertini & Schweinitz) Winter, 1880

grove dennenblaasroest

op Pinus

gal

10-20 cm lange zwellingen van jonge takken, die zo dik kunnen zijn als de tak zelf, met grote groepen tot 7 mm lange, bladachtige oranjegele aecia. Het mycelium in de takken is systemisch en blijft jarenlang in leven.

spermogonia, aecia

Pinaceae, monofaag

Pinus halepensis, mugo, nigra & subsp. laricio, pinaster, pinea, ponderosa, sylvestris.

twee-naaldige soorten

opmerkingen

In geheel Europa een belangrijke plaag in de bosbouw.


op dicotyle kruiden

Cronartium flaccidum; uredinia on Paeonia lactiflora

Paeonia lactiflora, Duitsland, München © Paul Fontaine

Cronartium flaccidum: telia on Vincetoxicum hirundinaria

Vincetoxicum hirundinaria, België, prov. Luxemburg, Tellin, Tienne des Vignes © Carina Van Steenwinkel

Cronartium flaccidum: telia on Vincetoxicum hirundinaria

detail

Cronartium flaccidum: germinating teliospores

detail: de teliosporen zijn al aan het kiemen

gal

uredinia aan de bladonderzijde, tot een kwart mm grote bultjes, bedekt met een peridium dat ronde pore heeft; sporen rond-ovaal, tot 30 µm lang, wand fijn-stekelig. Telia vormen zich binnen de uredinia; de teliosporen die worden gevormd zijn elliptisch, 60 µm lang. De teliosporen kleven aan elkaar, en worden als een tot 2 mm lang zuiltje omhoog geperst.

uredinia, telia

kruiden, zeer polyfaag

Asclepias incarnata, syriaca, tuberosa; Bartsia alpina; Cynanchum mongolicum, purpurascens; Delphinium elatum; Euphrasia nemorosa, stricta; Gentiana asclepiadea, verna; Glandularia laciniata, platensis; Impatiens balsamina, glandulifera, parviflora; Loasa lateritia, tricolor; Meconopsis cambrica; Melampyrum arvense, nemorosum, pratense, sylvaticum; Myosotis; Nasa triphylla; Nemesia strumosa, versicolor; Odontites vernus, vulgaris; Paeonia anomala, arietina, lactiflora, mascula, mlokosewitschii, officinalis & subsp. microcarpa, peregrina, x suffruticosa, tenuifolia; Pedicularis palustris, sceptrum-carolinum; Ruellia elegans; Schizanthus grahamii; Scyphanthus stenocarpus; Tropaeolum majus, minus, peregrinum, peltophorum; Verbena hybrida, officinalis; Veronica longifolia; Vincetoxicum fuscatum, hirundinaria, nigrum, rehmanni, rossicum, scandens.

synoniemen

Cronartium asclepiadeum (Willdenow) Fries, 1815; C. gentianeum von Thümen, 1878.

hyperparasieten

de aecia worden geparasiteerd door Cladosporium tenuissimum.

opmerkingen

in arctische gebieden leeft een vorm van deze soort die zich permanent kan handhaven in het aecia-stadium, dus zonder tussen-waard. Hij is lang als een aparte soort, en zelfs geslacht beschouwd, maar is naar blijkt uit onderzoek van Kasanen morfologisch noch genetisch verschillend van C. flaccidum: Peridermium pini (Willdenow) Léveillé, 1826 = Cronartium pini (Willdenow) Jørstad, 1925 = Endocronartium pini (Willdenow) Hiratsuka, 1969.

literatuur

Bahcecioglu & Kabaktepe (2012a), Blumer (1946a), Brandenburger (1985a: 22), Buhr (1965a), Dietrich (2013a, 2016b), Doppelbaur & Doppelbaur (1968a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), González-Fragoso (1925a), Henderson (2000a, 2004a), Jage, Klenke, Kruse oo (2016a), Jage, Kruse, Kummer ao (2013a), Jage, Scholler & Klenke (2010a), Kaitera & Hiltunen (2012a), Karadžić & Milijašević (2008a), Kasanen (2001a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Kruse (2014a, 2019a), Llorens i Villagrasa (1984a), Ludwig (1974a), Maier, Begerow, Weiß & Oberwinkler (2003a), Marková & Urban (1988a), Melgarejo Nárdiz, García-Jiménez, Jordá Gutiérrez ao (2010a), Moricca, Ragazzi, Mitchelson & Assante (2001a), Poelt & Zwetko (1997a), Preece & Hick (1994a), Redfern & Shirley (2011a), Ruszkiewicz-Michalska (2006a), Scheuer & Bechter (2012a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Roskam (2009a), Tomasi (2014a), Vanderweyen & Fraiture (2007a), Wilson & Henderson (1966a).

Laatste bewerking 10.ix.2019