Melampsora laricis-epitea Klebahn, 1899

op Larix

gal

zie Caeoma laricis.

spermogonia, aecia

Pinaceae, monofaag

Larix decidua, kaempferi, sibirica.


op Salix

Melampsora laricis-epitea: paraphyses, urediniospores

Salix herbacea, uit González-Fragoso (1925a): paraphysen, urediniosporen

gal

uredinia beiderzijdig, op gele bladvlekken, oranjegeel, tot 1.5 mm. Verspreid in het uredinium staan paraphysen met een dunne steel een een scherp afgetekende kop. Urediniosporen kort-ovaal, 9-19 x 12-5 µm, over het hele oppervlak bestekeld. Telia tot 1 mm, vaak in groepen, onderzijdig, donkerbruin, subepidermaal; teliosporen zuilvormig.

uredinia, telia

Salicaceae, nauw monofaag

Salix aurita, caprea, cinerea, daphnoides & subsp. acutifolia, glabra, hastata, hegetschweileri, helvetica, herbacea, myrsinifolia, purpurea, reticulata, retusa, viminalis, waldsteiniana.

Zelden S. appendiculata, apennina, arbuscula, bicolor, caesia, elaeagnos, x fragilis, glauca, glaucosericea, gmelinii, mielichhoferi, phylicifolia, pulchra, serpyllifolia.

synoniemen

wordt door sommige auteurs beschouwd as onderdeel van éé veelvormige soort met aecia op allerlei planten en uredinia en telia op wilg: Melampsora epitea.

literatuur

Blumer (1946a), Brandenburger (1985a: 17, 44), Dietrich (2013a), Doppelbaur & Doppelbaur (1973a), Gäumann (1959a), González-Fragoso (1925a), Jage, Klenke, Kruse oo (2016a), Jage, Kruse, Kummer ao (2013a), Jage, Scholler & Klenke (2010a), Klenke & Scholler (2015a), Kruse (2014a, Kruse & Jage (2014a), Poelt & Zwetko (1997a), Schmid-Heckel (1985a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Tomasi (2003a).

mod 24.v.2019