Puccinia allii (de Candolle) Rudolphi, 1829
lookroest
op Allium
Allium schoenoprasum, Hongarije, Mosonmagyaróvár © László Érsek: uredinia
telia

Allium schoenoprasum, Dronten © Arnold Grosscurt: uredinia

telia

hier zijn de telia streepvorming verlengd

Allium oleraceum, België, prov. Luik, Huy: uredia © Jean-Yves Baugnée, det Arthur Vandenweyen

uredinia

Allium vineale, den Helder, de Nollen: uredinium, omgeven door beginnende telia

Allium vineale, België, prov. Antwerpen, Mol © Carina Van Steenwinkel

groepje paraphysen

een enkele paraphyse
uit Baker (1955a): urediniosporen
Allium polyanthum, uit González Fragoso (1924a): doorsnede door een telium; ook een urediniospore
gal
geen waardwisseling. Spermogonia, aecia, uredinia en telia beiderzijdig. Spermogonia tussen de aecia. Aecia wit, in kringen. Uredinia tot 10 mm lang, gele tot oranje, lang door de epidermis bedekt, met wisselend aantal paraphysen. Telia klein, lang bedekt door de loodkleurige epidermis, later naakt en zwart. Rondom het telium, ook wel binnenin, vaak veel donkerbruine paraphysen; ze zijn deels aan de top vergroeid en vormen een mantel rondom het telium. Sporen 1-2 cellig op een tot 30 µm lange, afvallende steel. Het percentage ééncellige teliosporen varieert.
waardplanten
Amaryllidaceae, monofaag
Allium ampeloprasum, ascalonicum, carinatum, cepa, curtum, cyaneum, “fernandezii”, fistulosum, flavum, guttatum subsp. sardoum, neapolitanum, nigrum, oleraceum, orientale, pallens, phanerantherum, polyanthum, pyrenaicum, roseum, rotundum, sativum, schoenoprasum, scorodoprasum, sphaerocephalon, stamineum, subhirsutum, ursinum, sativum, subvillosum, vineale.
synoniemen
Puccinia mixta Fuckel, 1870; P. porri (Sowerby) Winter, 1884; Uromyces ambiguus (de Candolle) Léveillé, 1847. Maar zie hieronder:
opmerkingen
verscheidene auteurs menen dat P. alli als hierboven omschreven geen natuurlijke groep vormt. Met name Klenke & Scholler onderscheiden drie soorten: A – telia met paraphysen: P. allii; B – telia zonder paraphysen; B1 – urediniosporen met 10-12 poren: P. mixta; B2 – urediniosporen met 12-15 poren: U. ambiguus. Bij de twee laatstgenoemde soorten is het percentage eencellige teliosporen hoog, respectievelijk zeer hoog.
literatuur
Bahcecioglu & Kabaktepe (2012a), Baker (1955a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), Gjaerum (1976a, 1987a), Gjaerum & Dennis (1976a), Gönczö & Révay (1981a), González Fragoso (1922a, 1924a, 1925a), Hafellner (1980a), Henderson (2000a, 2004a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Kruse (2014a, 2019a), Losa España (1942a), Ludwig (1974a), Marková & Urban (1988a), Melgarejo Nárdiz, García-Jiménez, Jordá Gutiérrez ao (2010a), Negrean & Denchev (2000a), Pellicier (2001a), Poelt & Zwetko (1991a, 1997a), Riegler-Hagler (2002b), Sadravi, Ono, Pei & Rahnama (2007a), Sansford, Beal, Denton & Denton (2015a), Savchenko, Heluta, Wasser & Nevo (2014d), Savchenko, Wasser, Heluta & Nevo (2019a), Savchenko, Wasser, Heluta & Nevo (2019a), Scheuer & Bechter (2012a), Scholler, Reinhard & Schubert (1996a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Unamuno (1941a), Vanderweyen & Fraiture (2011a), Wilson & Henderson (1966a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).