Puccinia arenariicola Plowright, 1888

op Centaurea

gal

aecia vooral onderzijdig, op paars gerande geel verkleurde plekken; ze zijn bekervormig met naar witte, buiten gebogen peridium-slippen; sporenmassa geel.

spermogonia, aecia

Asteraceae, nauw monofaag

Centaurea nigra.


op Carex

gal

uredinia op verbleekte plekken; urediniosporen 18-22 x 18-26 µm, met 2 poren. Telia vooral onderzijdig, kussenvormig, zwart. Teliosporen tweecellig, slank, met een gladde wand die aan de top sterk verdikt is. Steel bruinig, blijvend, tot 40 µm.

uredinia, telia

Cyperaceae, nauw monofaag

Carex arenaria, muricata.

synoniemen

Puccinia centaureae-caricis Tranzschel 1909; Puccinia tenuistipes Rostrup, 1887.

veel auteurs, waaronder Termorshuizen & Swertz, en ook de Index Fungorum (2016), beschouwen arenariicola als identiek aan Puccinia dioicae, of als een varieteit daarvan.

literatuur

Brandenburger (1985a), Buhr (1965a), Gäumann (1959a), Klenke & Scholler (2015a), Poelt & Zwetko (1997a), Schmid-Heckel (1985a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Vanderweyen & Fraiture (2011a), Zwetko & Poelt (1989a).

mod 1.viii.2018