Puccinia caricis-montanae Fischer, 1898

op Centaurea s.l., Volutaria

gal

aecia onderzijdig, bekervormig, met een in slippen verdeelde rand, op gele of rode bladvlekken.

spermogonia, aecia

Asteraceae, nauw oligofaag

Centaurea alba, calocephala, jacea & subsp. gaudinii, melitensis, nervosa, nigra, nigrescens & subsp. transalpina, paniculata, panormitana subsp. umbrosa, phrygia & subsp. pseudophrygia, scabiosa & subsp. sadleriana, stoebe & subsp. australis, uniflora, vallesiaca; Cyanus montanus, segetum, triumfettii; Volutaria muricata.


op Carex

gal

uredinia en telia vroeg naakt. Uredinisporen met 2 kiemporen boven de equator. Teliosporen 2-cellig, omgekeerd peervormig; wand glad, aan de top sterk verdikt; steel blijvend, kleurloos, tot bijna zo langs als de spore; de sporen vallen niet af.

uredinia, telia

Cyperaceae, nauw monofaag

Carex alba, leporina, montana, umbrosa.

synoniemen

Puccinia jaceae-capillaris Tranzschel, 1910; jaceae-leporinae Tranzschel, 1910; P. nigrae-montanae Hasler.

Veel auteurs beschouwen caricis-montanae als conspecifiek met P. doicae, of als een variëteit van dioicae of van P. arenariicola.

literatuur

Blumer (1946a), Brandenburger (1985a)., Buhr (1964b), Doppelbaur & Doppelbaur (1973a), Gäumann (1959a), González Fragoso (1924a, 1925a), Jage, Scholler & Klenke (2010a), Klenke & Scholler (2015a), Maier, Wingfield, Mennicken & Wingfield (2007a), Poelt & Zwetko (1997a), Schmid-Heckel (1985a).

27/05/2017

mod 16.vii.2017