Puccinia isiacae (von Thümen) Winter, 1887

breed polyfaag

Puccinia isiacae: spermonogium (section)

Bryonia dioica, uit González Fragoso (1924a): doorsnede door een spermogonium; uit de opening steken opmerkelijk lange paraphysen.

Puccinia isiacae: aecium (section)

aecium, doorsnede

gal

spermogonia bleekgeel, in kringen, bovenzijdig, talrijk, ingezonken, tot 200 µm in diameter, met tot 40 µm lange uittredende paraphysen. Aecia in groepen op bleke of gele bladvlekken, vooral onderzijdig. Het peridium is bekervormig; verse aecia zijn sneeuwwit.

spermogonia, aecia

Alliaria petiolata; Anethum graveolens;
Arabis glabra; ? Atropa bella-donna;
Barbarea vulgaris;
Beta vulgaris;
Biscutella coronopifolia, laevigata;
Brassica oleracea;
Bryonia dioica;
Buglossoides arvensis;
Bupleurum rotundifolium;
Calendula stellata;
Camelina alyssum, sativa;
Capsella bursa-pastoris;
Cardaria draba;
Cerastium glomeratum;
Cleome spinosa;
Convolvulus althaeoides;
Cucumis sativus;
Cynanchum acutum;
Cynoglossum cheirifolium, clandestinum, officinale;
Descurainia sophia;
Diplotaxis viminea, virgata;
Dodartia orientalis;
Echium plantagineum;
Erodium;
Eruca vesicaria;
Erucastrum leucanthum, nasturtiifolium;
Eryngium planum;
Erysimum cheiranthoides;
Euclidium syriacum;
Galeopsis tetrahit;
Hymenolobus procumbens;
Isatis tinctoria;
Lamium galeobdolon, purpureum;
Lepidium campestre, cartilagineum, latifolium, perfoliatum, ruderale, vesicarium; Ligustrum ovalifolium, vulgare;
Linaria reflexa;
Mercurialis annua;
Myagrum perfoliatum;
Myosotis arvensis;
Nicotiana tabacum;
Noccaea jankae;
Pimpinella; Pseudoturritis turritis;
Raphanus sativus;
Reseda alba, phyteuma;
Rorippa palustris;
Silene vulgaris;
Sinapis alba, arvensis;
Sonchus tenerrimus;
Spinacia oleracea, tetrandra;
Stellaria media; Syringa;
Thlaspi arvense, ceratocarpon;
Tropaeolum majus;
Valerianella locusta, uncinata;
Veronica arvensis, hederifolia, serpyllifolia;
Zygophyllum atriplicoides, fabago.


op Phragmites

gal

Uredinia op de bladen en bladscheden, roodbruin, in grote samenvloeiende groepen; urediniosporen fijn bestekeld, met drie kiemporen op een lange steel. Telia als de uredinia, maar zwartbruin. Teliosporen twee-cellig, slank-peervormig; wand glad, apicaal verdikt, geen papil. Steel tot langer dan 200 µm, blijvend, hyalien, vaak scheef aangehecht.

uredinia, telia

Poaceae, monofaag

Phragmites australis & subsp. chrysanthus (Arundo isiaca).

synoniemen

P. obtusata Otth, 1898; Puccinia trabutii Roumeguère & Saccardo, 1881.

opmerkingen

Zuid-Europese soort. Opvallend door de sneeuwwitte aecia. Op riet is verwarring mogelijk met P. magnusiana, maar de stelen van de teliosporen zijn veel langer en kleurloos

literatuur

Alaei, De Backer, Nuytinck ao (2009a), Baka (2004a), Baka, Alwadie & Mostafa (2004a), Buhr (1964b), Gäumann (1959a), Gönczö & Révay (1981a), González Fragoso (1924a), Klenke & Scholler (2015a), Mayor (1967a), Negrean & Denchev (2000a), Savchenko, Heluta, Wasser & Nevo (2014d), Tomasi (2014a).

mod 28.vi.2019