Puccinia nemoralis Juel, 1894

op Melampyrum

gal

Aecia bekervormig, op de onderzijde van het blad, in cirkelvormige groepen op violette of geelbruine plekken.

spermogonia, aecia

Orobanchaceae, monofaag

Melampyrum cristatum, nemorosum, pratense, sylvaticum.


Puccinia nemoralis: telium (section)

Moliniae caerulea, uit González Fragoso (1924a): doorsnede door een telium

op Molinia

gal

Uredinia klein, meestal op de onderzijde van het blad, lineair, bruin, zonder paraphysen; telia als de uredinia, in tot 15 mm grote groepen, zwart. Urediniosporen dikwandig, fijn-bestekeld, met 3 onduidelijk kiemporen, elk bedekt door een lage papil. Teliosporen 2-cellig, breed-elliptisch, wand glad; steel kleurloos, blijvend, zeer lang.

uredinia, telia

Poaceae, monofaag

Molinia caerulea.

synoniemen

P. brunellarum-moliniae en P. nemoralis worden vaak als één soort beschouwd, en dan aangeduid als P. moliniae Tulasne, 1854.

literatuur

Brandenburger (1985a), Buhr (1965a), Gäumann (1959a), Henderson (2000a, 2004a), Klenke & Scholler (2015a), Preece & Hick (1994a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).

10/04/2017

mod 17.vii.2017