Entyloma ranunculacearum Kochman, 1936

op Ranunculus

parasiet

To4 4 mm grote bladvlekken, deels begrensd door de nervatuur; bovenzijde gelig, onderzijde door conidia wittig. Ingebed in het gastheerweefsel liggen losse groepen hyaliene sporen. Sporen bol, glad, 10-14 µm, wand 1-1.5 µm. Anamorf als talrijke onderzijdige kolonies, conidia cylindrisch, 3-4 x 15-19 µm, aseptaat.

waardplanten

Ranunculaceae, nauw monofaag

Ranunculus acris.

synoniemen

Tot de revisie door Kruse ea werd deze soort beschouwd als conspecifiek met E. ranunculi-repentis (nu E. eburneum).

literatuur

Kruse, Lutz, Piątek & Thines (2018).

mod 6.viii.2019