Ustilago tritici (Persoon) Rostrup, 1890

op Triticum

gal

De hele aar is zwartbestoven met brandsporen, van de zaden is niets terug te vinden. De sori zijn naakt vanaf het moment dat ze herkenbaar zijn. De sporen zijn enkelvoudig, bruin, 5-7 x 6-9 µm; de wand is dicht wrattig.

waardplanten

Poaceae, oligofaag

Aegilops cylindrica, geniculata, kotschyi, neglecta, triuncialis; Secale cereale, sylvestre; Triticum aestivum & subsp. spelta, monococcum, turgidum & subsp. dicoccon + durum + polonicum.

synoniemen

Ustilago vavilovi Jaczewski, 1925.

opmerkingen

wereldwijde plaag in de tarwebouw: “loose smut” (Wilcoxson & Saari).

literatuur

Almaraz (1998a), Buhr (1965a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Ivić, Sever, Scheuer & Lutz (2013a), Ellis & Ellis (1997a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Llorens i Villagrasa (1984a), McTaggart, Shivas, Geering, Vánky & Scharaschkin (2012b), Navarro, Honrubia & Torres (1986a), Nielsen (1985a), Savchenko & Heluta (2012a), Tóth (1994a), Unamuno (1941b, 1942a), Vanderweyen & Fraiture (2014a), Vánky (1994a), Vánky & Abbasi (2013a), Wilcoxson & Saari (1996a), Woods, Chater, Smith ao (2018a), Zwetko (1993a).

mod 8.ii.2019