Peronosporaceae

“Valse meeldauwen”

De valse meeldauwen verschillen van de Albuginaceae in het feit dat de “conida” niet onder de epidermis van de waardplant worden gevormd, maar uitwendig, op een conidiofoor: een rechtopstaande en verdikte hyphe, tot bijna een milimeter lang, die nabij de top meestal meermalen vertakt is, met aan elk eindtakje een min of meer eivormig conididium. Ook hier worden de termen conidium/conidiofoor en sporangium/sporangiofoor door elkaar gebruikt in de literatuur. De conidioforen bevinden zich gewoonlijk aan de onderzijde van de bladeren; bij enkele gespecialiseerde soorten bevinden de conidioforen zich op de bloemkroon.

Binnenin het weefsel van de waardplant worden oosporen gevormd, dikwandige, bolronde sporen, soms met een kenmerkende oppervlakte-structuur. Ze kunnen lang in leven blijven, ook nadat de waardplant is afgestorven. Ze kunnen zelfs gevormd worden in vruchten en zaden, en zo de verspreiding van de schimmel mede bewerkstelligen.

De mate waarin de waardplant te lijden heeft onder deze schimmels verschilt sterk. Soms is er niet veel meer te zien dan een lichte, al dan niet nerf-begrensde verkleuring van de bovenzijde van het blad. Maar ook ernstige groeistoringen en vervormingen kunnen optreden, vooral in die delen van de plant waar oosporen worden gevormd.

Echte en valse meeldauwen hebben niet veel meer gemeen dan een oppervlakkige gelijkenis. Echte meeldauwen (Erysiphaceae) hebben geen conidioforen, maar bolvormige vruchtlichaampjes (lang niet altijd aanwezig); het mycelium ligt hoofdzakelijk bovenop het blad.

literatuur

Alexopoulos, Mims & Blackwell (1996a), Gäumann (1964a), Webster (1980a).

04/10/2015

mod 28.vi.2017