Chenopodium ganzenvoet
Incl. Blitum, Chenopodiastrum, Lipandra.
(For a dichotomous table for galls on Chenopodium by Hans Roskam click here)
Dichotome tabel voor bladmineerders
1a mijn van begin tot eind in een blad => 2
1b een gedeelte van de mijn bevindt zich in de bladsteel en stengel => 21
1c gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort
Dichotome tabel voor bladmineerders
1a mijn van begin tot eind in een blad => 2
1b een gedeelte van de mijn bevindt zich in de bladsteel en stengel => 21
1c gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort
2a blaasmijn, zonder spoor van een begingang => 3
2b blaasmijn, voorafgegaan door een begingang => 11
2c gangmijn van begin tot einde => 16
2d vlekmijn => 18
2e mijn van onbepaalde vorm, klein (larven met kop en borstpoten; oudere larven tussen samengesponnen bladeren) => 19
3a larve met duidelijke kop en poten => 4
3b larven kop- en pootloze maden; bij het begin van de eerste mijn (de larven kunnen verhuizen) een groepje langgerekte eischaaltjes: Pegomya-soorten (van P. conformis, exilis en interruptella -de eerste twee bekend uit Nederland en Belgiƫ- zijn mijnen en larven niet beschreven) => 9
4a larve met buikpoten (vlinderlarven) => 5
4b larve zonder buikpoten (Mediterrane keverlarve): Monoxia obesula
5a mijn bevat vrijwel geen frass; larve mineert vanuit een spinselbuis: Scrobipalpa atriplicella
5b mijn bevat normaal frass; larve leeft in de mijn => 6
6a mijn bruin van tint, vaak door spinsel samengetrokken tot een onduidelijke vouwmijn; frass fijnkorrelig; larve leeft later vrij in bladkoker: Calybites phasianipennella
6b mijn wit, vlak; veel zwarte of groene frass, klonterig of in boogjes; larven blijven in de mijn => 7
7a blaasmijn; frass in een grote zwarte klodder => 8
7bdarmachtig gekronkelde gangmijn; frass in brede groene waaiers: Chrysoesthia drurella
8a laagland-soort: Chrysoesthia sexguttella
8b gebergte-soort: Chrysoesthia verrucosa
9a larve: van de tanden op de mandibel is de onderste ongewoon groot: Pegomya cunicularia
9b onderste tand niet zo extreem groot => 10
10a hoek tussen de laatste en voorlaatste tand van de mandibel bijna recht: Pegomya betae
10b hoek tussen de laatste en voorlaatste tand van de mandibel zeer scherp: Pegomya hyoscyami
11a mijn bruin van tint, vaak door spinsel samengetrokken tot een onduidelijke vouwmijn; frass fijnkorrelig; larve leeft later vrij in omgerolde bladrand: Calybites phasianipennella
11b mijn wit of geelgroen => 12
12a larve met duidelijke kop en poten; mijn voldiep: Scrobipalpa nitentella
12b larve een kop- en pootloze made; mijn niet geheel voldiep => 13
13a primaire vraatlijnen zichtbaar; frass in grote klodders => 8
12b geen vraatlijnen zichtbaar; frass in fijne korrels => 14
14a slordig smal gangetje, vrij plotseling overgaand in een blaasje; mijn vrij klein; aan het begin aan bladonderzijde een eischaaltje (kan later afvallen): Psilopa leucostoma
14b gangbegin relatief kort en breed, overgaand in een grote blaas; geen eischaaltje => 15
15a puparium in het blad (soms in een apart, klein mijntje); mijn met brede uitlopers, waarin groene frass-ophopingen: Scaptomyza graminum
15b larve verpopt buiten de mijn; frass spaarzaam, fijnkorrelig, zwart: Amauromyza flavivfons
16a gang voldiep, darmachtig gewonden; veel, groene frass in boogjes; larve met kop en poten: Chrysoesthia drurella
16bgang onder- of bovenzijdig, onregelmatig lopend; frass in zwarte korrels of sliertjes; larve een kop- en pootloze made => 17
17apuparium in de mijn (meestal in onderzijdig kamertje), frass in korrels: Chromatomyia horticola
17blarve verpopt buiten de mijn; frass in sliertjes: Liriomyza bryoniae
18 In de bloeiwijzen van Chenopodium en ook andere Amaranthaceae, vooral wanneer die groeien in het kustgebied, leeft een aantal Coleophora-soorten op de ontwikkelende vruchten. De zakken lijken zo sterk op elkaar dat ze alleen door kweken te determineren zijn. In het algemeen mineren ze niet op de bladeren. Voorzover de literatuur daar duidelijkheid over geeft is de enige soort die als bladmineerder kan worden aangemerkt: Coleophora sternipennella
19a larve: pinacula kleurloos (wel is de basis van de setae zelf zwart): Cnephasia incertana
19b pinacula zwart => 20
20a larve: achter/onder de anus een chitineuze kam: Cnephasia asseclana
20b geen anale kam aanwezig: Cnephasia stephensiana
21a mijn in stengel of hoofdnerf, met uitlopers in de bladeren => 22
21b mijn begint in een blad, vandaar gaat de larve de stengelschors in, en uiteindelijk het merg van de stengel: Amauromyza chenopodivora
22a larve met kop en poten: Scrobipalpa obsoletella
22b larve een kop- en pootloze made: Delia echinata
Niet in de tabel opgenomen: Amauromyza karli; Chrysoesthia falkovitshi; Coleophora jaernaensis, versurella; Liriomyza trifolii; Tuta absoluta.