Monochroa moyses Uffen, 1991
zeeuwse boegsprietmot
zeeuwse boegsprietmot

België, prov. Antwerpen, Schor van Ouden Doel, 4.viii.2024 habitat © Ruben Meert

mijn in Bolboschoenus maritimus

larve

spinseltje met uitgeworpen frass

pop, 5.v.2025

imago, 16.v.2025
mijn
Voldiepe gangmijn, tot 10 cm lang, niet beperkt tot een bepaald deel van de bladschijf. De aanvankelijke breedte is nog geen mm, loopt later op tot ca 25 mm. Meestal loop de mijn in de richting van de bladtop. De mijn begint met een onderzijdig gaatje waar de larve is binnengedrongen. De larve verlaat de mijn voor de overwintering, en ook dat gebeurt via een onderzijdige opening. Alle frass wordt verwijderd; de larve verlaat daarvoor de mijn via de entrée, en heeft daar een vangnetje van spinsel, waarin ook wel frasskorrels blijven hangen.
waardplanten
Cyperaceae, ? oligofaag
Bolboschoenus maritimus.
Misschien ook Sirpus sylvaticus.
fenologie
Larven in juli-augustus (Uffen, 1991a), midden augustus-midden of eind september (Bland ea, 2002a).
BENELUX
BE waargenomen (Phegea, 2010).
NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).
verspreiding binnen Europa
Engeland, Benelux, Portugal (Fauna Europaea, 2010).
larve
Lichaam, inclusief prothoracale en anale plaat en borstpoten rozewit; kop lichtbruin (Bland ea, 2002a).
literatuur
Bidzilya, Budashkin, Goloborod’ko, ao (2012a), Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Buschmann & Pastorális (2015a), Huisman & Koster (1994a, 2000a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ellis (2009a), Huisman, Koster, Nieukerken & Ulenberg (2003a), Jansen (2005a), Jansen & Asselbergs (1993a), Karsholt & Huemer (2017a), Kuchlein & de Vos (1999a), Parsons (1995a), Stark (2022a), Stark & Buchner (2016a), Tokár, Laštůvka, Pastorális, ao (2015a), Uffen (1991a).