Incurvaria oehlmanniella (Hübner, 1796)
bosbeswitvlekmot
mijn
Ovipositie middels een legboor, dus geen ei zichtbaar. De larve maakt een onregelmatige blaasmijn. Het gedeelte van de blaasmijn vlakbij de ovipositieplek is doorschijnender dan het latere, in doorzicht meer groenige, deel van de mijn. De mijn ligt gewoonlijk dichtbij de bladtop; vaak verscheidene bijeen. Al na de eerste vervelling maakt de larve een min of meer ronde uitsnede uit de mijn, 3-4 mm in diameter. Hierin verpakt laten ze zich op de grond vallen, en leven daar verder van dor bladmateriaal. De uitsnede beslaat ongeveer de helft van het oppervlak van de mijn.
waardplanten
Polyfaag op houtige gewassen
Cornus sanguinea; Prunus spinosa; Rubus chamaemorus; Vaccinium myrtillus.
Buhr (1935b) noemt nog Malus sylvestris, Bruun (1988a) Acer platanoides; Carpinus betulus; Fagus sylvatica.
fenologie
Larven worden minerend gevonden in juli-augustus (Heath & Pelham-Clinton, 1983a).
BENELUX
BE waargenomen (Phegea, 2009).
NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).
verspreiding binnen Europa
Vrijwel heel Europa (Fauna Europaea, 2009).
larve
Incurvaria-larven liggen, als ze rusten, in hoefijzervorm gebogen in de mijn (in tegenstelling tot Antispila-larven). De larve is geel of wittig met een zwarte kop. Het pronotum heeft een zwarte plaat, meso- en metanotum hebben lichtere platen (Heath & Pelham-Clinton, 1983a).
synoniemen
Lampronia oehlmanniella.
literatuur
Bengtsson (2008a), Bruun (1988a), Buhr (1935b, 1936a), Dziurzynski (1957a, 1958a), Heath & Pelham-Clinton (1983a), Hellers (2016a), Hering (1957a), Huisman & Koster (1995a), Kovács & Kovács (2000a), Kozlov & Kullberg (2006a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Kurz (2016a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a).