Ectoedemia cerris (Zimmermann, 1944)
op Quercus
mijn
Ei aan de bovenzijde van het blad, op of bij een nerf. De mijn begint als een nauwe gang, vaak in de richring van de bladrand, hetzij langs een nerf lopend, dan wel vrij, en dan kronkelend; frass hier in een onderbroken centrale lijn. De gang verbreedt zich plotseling tot een grote blaas, waar de frass geconcentreerd ligt in het oudste deel.
waardplanten
Fagaceae, monofaag
Quercus cerris, libani.
fenologie
Eén generatie; larven van eind september tot eind october (van Nieukerken, 1985a).
verspreiding binnen Europa
Van Tsjechië en Slowakije tot Italië en Griekenland (Fauna Europaea, 2009).
larve
Wittig, kop donker; ventrale platen opvallend, zwart.
synoniemen
Stigmella cerris.
literatuur
Gregor, Šefrová, Laštůvka & Laštůvka (2022a), Hering (1957a), Kollár & Hrubík (2009a), A & Z Laštuvka, 1997a, 2005a), Z & A Laštuvka (1998a), van Nieukerken (1985a, 1986a), van Nieukerken, A & Z Laštuvka (2010a), Sefrová (2005a), Szőcs (1968a, 1977a, 1978a, 1081a).