Stigmella filipendulae (Wocke, 1871)
spireamineermot
op Filipendula

Filipendula ulmaria, Assen, de Haar, 7.x.2025 © Ben van As

Filipendula ulmaria, Zweden, Motala, Södra Freberga-Jerusalemsviken, 29.vii.2020 © Torbjörn Blixt: verlaten mijn
mijn
Ei op de bovenzijde van het blad, meestal op een nerf of de bladrand. De mijn is een geleidelijk breder wordende gang. Het eerste, smalle deel volgt gewoonlijk precies de bladrand. Frass in een geleidelijk breder wordende vaak onderbroken centrale lijn.
waardplanten
Rosaceae, nauw monofaag
Filipendula ulmaria, vulgaris.
fenologie
Bivoltien; larven in juli en eind augustus – october (Emmet, 1983a).
BENELUX
BE waargenomen (Wullaert, 2018a).
NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).
verspreiding binnen Europa
Van Fennoscandia tot de Alpen en Karpathen, en van Ierland tot Polen; disjunct ook in Griekenland (Fauna Europaea, 2009).
larve
Helder barnsteengeel (Emmer, 1983a); zie Gustafsson & van Nieukerken (1990a) voor een gedetailleerde beschrijving.
synoniemen
Stigmella ulmariae Wocke (1979). Moleculair onderzoek heeft aangetoond dat er geen aparte populaties bestaan op Filipendula ulmariae en F. vulgaris (van Nieukerken, 2009, in Fauna Europaea).
literatuur
Bengtsson (2008a), Borkowski (1969a), Buhr (1937a), Buszko (1987a), Diškus & Stonis (2012a), Emmet (1970d, 1971a, 1983a), Gustafsson (1985a), Gustafsson & van Nieukerken (1990a), Hering (1957a), Huber (1969a), Huemer (1986a, 1988a), Johansson ao (1990a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Laštůvka & Laštůvka (1997a, 1998a), Maček (1999a), van Nieukerken (1986a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Segerer (2001a), Skala (1939a), Sønderup (1949a), Steeman & Sierens (2019a), Szőcs (1977a, 1981a), Wullaert (2018a).