Stigmella naturnella (Klimesch, 1936)
zuidelijke berkenmineermot

Betula pubescens, België, prov. Limburg, Halen, Zwarte Beek-Bakel, 6.viii.2017 © Carina Van Steenwinkel, det. Erik van Nieukerken

bezette mijn (uit van Nieukerken, 2020a)
mijn
Ei aan boven- of onderzijde van het blad, meestal vrij van een nerf, en dicht bij de bladrand. Lange, slanke, min of meer gebogen gangmijn met een vrij smalle centrale, vaak onderbroken frasslijn, meestal niet langdurig langs een nerf. Het eerste deel van de gang in het sponsparenchym, daardoor groen ogend. Boogsnede bovenzijdig. Verpopping extern, in a dunne, wittige cocon.
waardplanten
Betulaceae, monofaag
Betula pendula, pubescens.
fenologie
Twee generaties.
BENELUX
Sinds 2017 bekend uit Nederland en België (van Nieukerken, 2020a).
verspreiding binnen Europa
Tsjechië, Slowakijë, Oostenrijk, Hongarijë, Italie; Centraal- en Oost-Rusland (Fauna Europaea, 2009).
larve
Wittig, kop lichtbruin; achter de kop is de eerste knop van het buikganglion zichtbaar als een opvallende donkere vlek.
opmerkingen
Zeer warmteminnende soort.
literatuur
Baran (2013a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Klimesch (1936a, 1948a, 1950c), Laštůvka & Laštuvka (1997a), Laštůvka, Laštůvka, Liška ao (1992a), Liška ao (2000a), van Nieukerken (1986a, 2020a, 2023a), van Nieukerken, Zolotuhin & Mistchenko (2004a), Sefrová (2005a), Skala (1939a), Šumpich (2011a,c), Szőcs (1977a), Yefremova & Kravchenko (2015a).