Stigmella thuringiaca (Petry, 1904)
ganzerikmineermot, agrimoniemineermot
Potentilla tabernaemontani, België, prov. Namen, Nismes; uit van Nieukerken (2006a)
zelfde materiaal, © in het veld (© C van den Berg)
mijn
Ei aan de onderzijde van het blad, nabij de hoofdnberf. Geleidelijk breder wordende, relatief plompe gangmijn. De gang volgt gewoonlijk een dikke nerf of de bladrand. Frass onregelmatig verspreid, tenminste een derde van de gangbreedte innemend.
waardplanten
Kruidachtige Rosaceae, oligofaag
Agrimonia eupatoria; Argentina anserina; Filipendula vulgaris; Fragaria moschata, vesca, viridis; Potentilla cinerea, recta, tabernaemontani; Sanguisorba minor.
fenologie
Twee generaties per jaar.
BENELUX
BE waargenomen (van Nieukerken, 2006a).
NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).
verspreiding binnen Europa
Van Duitsland, Polen en Centraal Rusland tot het Iberisch Schiereiland en Italië; niet in het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2009); ook bekend van de Krim (Navickaitė ea).
larve
Helder geel (Johansson ea, 1990a); overigens nog niet beschreven.
opmerkingen
Op kruidachtige Rosaceae komen verscheidene nepticuliden voor; St. thuringiaca is louter aan de hand van de mijn daaruit niet te isoleren.
literatuur
Beiger (1960a), Hartig (1939a), Hering (1957a), Huemer (2014a), Johansson ao (1990a), Kasy (1983a, 1985a), Klimesch (1936a, 1958c), A & Z Laštuvka (1997a, 2008a), Z & A Laštůvka (2009b), Maček (1999a), Navickaitė, Diškus & Stonis (2014), van Nieukerken (1986a, 2006a), van Nieukerken, A &mZ Laštuvka (2004a), van Nieukerken, A & Z Laštuvka (2006a), van Nieukerken, Zolotuhin & Mistchenko (2004a), Skala (1939a), Skala & Zavřel (1945a), Steuer (1995a), Surányi (1942a), Szőcs (1977a, 1981a).