Stigmella tormentillella (Herrich-Schäffer, 1860)
op Potentilla


Potentilla aurea (links), P. crantzii, Oostenrijk, resp. 1750 en 1800 m; uit Klimesch (1981a)
mijn
Ei aan de onderzijde van het blad. De mijn is een gangmijn die zich uiteindelijk sterk verbreedt, en een complete bladslip kan beslaan. Frass in een ononderbroken centrale lijn, verderop onregelmatig verspreid.
waardplanten
Rosaceae, monofaag
Potentilla alba, aurea, crantzii, erecta, reptans, tabernaemontani.
fenologie
Larven in mei-juni en september-october (Hering, 1957a) maar in gebergte slechts één generatie (Johansson ea, 1990a).
BENELUX
Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).
verspreiding binnen Europa
Van Duitsland tot de Pyreneeën en Italië, en van Frankrijk tot Roemenië (Fauna Europaea, 2009); Iberia (Laštůvka & Laštůvka, 2015a).
larve
Geel; beschreven door Gustafsson & van Nieukerken (1990a).
opmerkingen
Hoofdzakelijk een alpiene soort, voorkomend tot 2200 m, maar er zijn ook enkele waarnemingen uit het laagland (Johansson ea, 1990a).
literatuur
Buhr (1936a), Drăghia (1971a), Gustafsson & van Nieukerken (1990a), Hering (1924a, 1957a), Huber (1969a), Huemer (2012a), Johansson ao (1990a), Klimesch (1981a), Kurz (2016a), Laštůvka & Laštůvka (1997a, 2015a), van Nieukerken (1986a), van Nieukerken, Laštůvka & Laštůvka (2006a), van Nieukerken, Mutanen & Doorenweerd (2012a), Skala (1939a), Steuer (1995a), Szőcs (1977a).